Het innen van verbeurde dwangsommen is niet meer vanzelfsprekend.

In de uitspraak van 25 augustus 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem teruggefloten. Daar waar de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het besluit tot invordering van de dwangsommen ongegrond had verklaard, vond de Afdeling alle omstandigheden van het geval beziend het niet terecht dat het College tot inning van de dwangsommen was overgegaan. Alle door het College geïnde gelden zijn inmiddels terugbetaald.

Deze uitspraak heeft het invorderen van verbeurde dwangsommen de “bijzondere omstandigheden” verder genuanceerd. Wat was het geval?

Bij besluit van 1 maart 2018 heeft het College een tweetal particulieren één last om dwangsom opgelegd vanwege vier overtredingen van het Bouwbesluit. De overtredingen dienden op 3 april 2018 te zijn beëindigd. De dwangsom bedroeg € 10.000,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 30.000,00. Eén overtreding was tijdig beëindigd, een tweede gedeeltelijk en twee na het verstrijken van de termijn. Daarop ging het College over tot invordering van de dwangsom van € 10.000,=. Samen met de ook in rekening gebrachte incassokosten betekende dat deze particulieren ruim € 11.000,= dienden te betalen. Onder de druk van een dreigend loonbeslag zijn zij tot betaling overgegaan.

De rechtbank Rotterdam was ook van mening was dat de dwangsom nu eenmaal was verbeurd omdat niet tijdig was voldaan aan de last en tegen de last zelf ook geen bezwaar was gemaakt. De Afdeling vond echter dat nu tenminste aan één van de vier onderdelen tijdig was voldaan, de tweede nagenoeg was afgerond en het College wist dat deze particulieren doende waren om aan de last te voldoen, het niet redelijk was om tot invordering over te gaan. Ook het feit dat zij geen bezwaar hadden gemaakt tegen de opgelegde last werd hen door de Afdeling niet kwalijk genomen. Immers, zo overweegt de Afdeling, het was van begin af aan voor het College duidelijk dat deze particulieren aan de last wilden voldoen en zich daar ook alle inspanningen voor hebben getroost.

De uitspraak van de Afdeling maakt nog eens duidelijk dat aan het belang van invordering van dwangsommen nog steeds veel gewicht moet worden toegekend. Dat is overeind gebleven. Maar de Afdeling geeft hier wel heel duidelijk het signaal dat een bestuursorgaan ook bij invordering weer alle feiten en omstandigheden moet afwegen. Daarbij is het dus van belang hoe de last is geformuleerd en of en op welke wijze gehoor is gegeven aan de last.

Deze uitspraak maakt in ieder geval duidelijk dat van onze overheid wordt verlangd dat zij niet alleen uitvoering geven aan regelgeving, maar zich ook steeds de vraag moeten blijven stellen of het gebruikmaken van aan hen gegeven bevoegdheid wel leidt tot een rechtvaardige uitkomst. Deze uitspraak is ongetwijfeld ook het gevolg van de uitkomsten van het onderzoek in de Toeslagenaffaire, waarbij overheden en de rechterlijke macht terecht toch een zeer kritische spiegel is voorgehouden.

Hierbij de link naar de betreffende uitspraak:

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@126576/202002416-1-r3/

Jan-Rob van Manen